logotipo

img_google

POSSESSIEF PRONOMEN

Vul een possessief pronomen in:

Vul ALLE gaten van de volgende tekst in. Druk vervolgens op "Controleer antwoord" om je antwoorden te controleren.



OEFENING I.

1.Wij hebben twee kinderen. kinderen gaan naar de universiteit. school ligt in het centrum van Amsterdam. man en ik vinden dat goed, want huis ligt ook in het centrum.
2. Mevrouw Janssen werkt in Oldenzaal. kantoor ligt bij het station.
3. Ik heb veel planten en bloemen. tuin is heel mooi.
4. Jullie kopen elke dag een krant. Hoe heet krant?
5. Mijn broer en ik wonen in Rotterdam, maar ouders wonen in Den Haag.
6. huis heeft niet veel kamers, maar wij hebben een grote tuin.
Este ejercicio ha sido realizado por Manuel Sánchez Romero, docente de Neerlandés de la Universidad de Sevilla


OEFENING II.

Schrijf het possessief pronomen van het subject in de zin:

1. (Ze) Ze betalen krant per maand.
2. (We) We bezorgen pizza’s gratis in Utrecht en Rotterdam.
3. (Jullie) Jullie moeten collega nog voorstellen.
4. (Sarah) Sarah viert verjaardag op zaterdag.
5. (David) David praat over vakantie met zijn broer


OEFENING III.

Schrijf het possessief pronomen van het subject in de zin:

1. (Hij) Hij geeft mobiele nummer aan Maarten.
2. (Mijn zus) Mijn zus huurt huis van de woningbouwvereninging.
3. (Jij) Jij helpt broer met verhuizen.
4. (Ik) Ik doe boodschappen bij kleine winkels.
5. (Wij) Wij kopen eieren bij de supermarkt.
6. (Jullie) Jullie moeten namen en adressen hier invullen.
7. (Ze) Ze geven kinderen iedere dag fruit.

OEFENING IV.

Schrijf het possessief pronomen van het subject in de zin:

1. Sam heeft kinderen, Daar zijn kinderen.
2. Els heeft een hond. Dat is hond.
3. De kinderen hebben boeken. Waar zijn boeken?
4. Mark en Rita hebben een huis. Dit is huis.
5. De directeur heeft een secretaresse. Wie is secretaresse?
6. De Nederlanders hebben een koningin. Wie is koningin?
7. Mieke heeft twee zussen. Hoe heten zussen?
8. Tom heeft een broer.Ken je broer?
9. Jan en Frans hebben twee dochters. Waar wonen dochters?
10. Jullie hebben een woordenboek. Waar ligt woordenboek?